Fenthui - de onbekende reus

Omringd door diepe en brede wateren is het continent Fenthui een verborgen wereld. Wat biedt dit mysterieuze land aan de wereld Chaldon?

In de verzengde zon van de evenaar koesteren zich uitgestrekte oerwouden. Her en der maakt de groene wereld ruimte voor de stedelijke. Sierlijke torens steken hoog uit boven het groen, hun grillig gevormde spitsen uitdagend naar de hemel gericht. Tussen deze hoge torens nestelen zich stijlvolle huizen, mystieke tempels en indrukwekkende overheidsgebouwen. Soms rust de stad even, wanneer de hitte te zinderend is. Maar slechts kort, voordat het krioelen weer begint. En rondom de stad akkers en weilanden, bulkend van de overvloed. Dan stopt de beschaving en neemt het oerwoud het weer over.

Zuidelijker dunt het bos uit. Oerwoud wordt savanne en de mens past zich aan. In de vlakte van de savannes is hier en daar een menselijk bolwerk te vinden. Open gebouwen, veel ruimte en weinig hoogbouw. De grote kuddes trekken er langs, kijken er soms naar en vervolgen dan hun millennia oude routes. 

En dan stopt het leven schijnbaar. Woestijn neemt de plaats van het groen in. Rotsformaties in alle kleuren, zandduinen die nimmer hetzelfde zijn. Een onmogelijke plek voor de mens, behalve bij een oase, een eenzame rivier. Dan verschijnt een witte muur, hoog en dik en door grote poorten gesloten. Daarachter drukke bazaars, donkere doorgangen en koele tuinen. Een kwetsbare menselijke vluchthaven in een oneindige woestijn.

Vruchtbare weiden weerstaan de woestijn. Zand maakt plaats voor gras, het woestijngedierte voor vee. Meanderende rivieren in een licht glooiend landschap. Dorpjes en stadjes, passend in het landschap. Af en toe een metropool, waar oude tempels en hoge overheidsgebouwen zij aan zij staan met pittoreske huizen. Dan weer een weiland, een akker en soms een bos, oud, groen en mysterieus.

Dragers van deze landschappen zijn de machtige bergen. Hoog en grimmig torenen zij her en der boven het continent uit. De machtigste zijn omringd door vele paladijnen. Kabbelende beekjes verworden hier tot machtige rivieren. De mens handhaaft zich dapper, maar moeizaam. Grimmige gebouwen klampen zich vast aan de flanken. Verweerde muren, diepe ramen en vooral veel wind en in de lange winters de bijtende kou. Het gebergte ziet en aanvaard de mensheid in haar nederigheid. 

Wat kan de mens anders dan zich aanpassen? Met het landschap zijn de Fenthi geëvolueerd tot een bont gezelschap, met maar weinig overeenkomsten. Wat hen allen bindt? Dat zijn trots, dapperheid, een gevoel voor grandeur en vooral de loodzware erfenis van vele millennia. 

Steden zijn opgericht, afgebrand, geplunderd en weer opgebouwd. Niet eenmaal, niet tweemaal maar vele malen. Goden kwamen en gingen. Cultussen, gewoontes, eeuwige tradities; alle kwamen en gingen in de maalstroom van de tijd. Wat bleef was het keizerrijk en met haar de Fenthi. Immer trots, immer strijdvaardig. 

En wat ziet de Fenthi als hij de wereld aanschouwt? Hij schut zijn hoofd, begrijpt niets meer van de wereld. Jonge beschavingen, nog niet eens voorbij hun kindertijd beschouwen zich oud. Culturen nog maar net ontstaan claimen eeuwigheid. Maar dan weet de Fenthi: zoveel culturen kwamen en gingen, van alle bleef alleen Fenthui over. Het laatste licht van de zon zal schijnen over het keizerrijk.

Welke waarheid is er, wanneer alle waarheden eens genoemd zijn? De Fenthi benaderen zichzelf, de wereld en de werkelijkheid filosofisch: zij alleen zijn het stralende middelpunt van de wereld. Uiteraard was er een wereld voor hun en het onwaarschijnlijke: het einde van hun bestaan, aanvaarden zij minachtend. Nimmer uitte het heelal zich in zo'n unieke kwaliteit als zijzelf.